2 / 6

Ik ben altijd alleen, mijn beste vriend is de televisie.

Osman

Rotterdam Centrum

 

Ik ben geboren in Djibouti, mijn familie komt uit Somaliland. Ik heb vier zussen en vijf broers, bijna allemaal wonen ze in Europa. Ik heb lange tijd in Somaliland voor mijn moeder gezorgd, totdat ik hierheen kwam. In 1987 kwam ik naar Malmö in Zweden waar ik twee jaar bij mijn zus verbleef. Ik was toen twintig. Maar in Zweden was het koud, dus ik besloot naar Nederland te komen omdat ik hier ook familie heb wonen. Ik behaalde mijn status en ben officieel Nederlands burger geworden. Ik kwam in 1998 naar Rotterdam waar ik ging wonen in Delfshaven. Maar die woning was niet meer geschikt. Vijftien jaar geleden ben ik namelijk tweemaal geopereerd, waardoor veel werk nu ongeschikt is. Ik kan geen zwaar werk meer verrichten. De dokter heeft mij na de operatie geholpen met het vinden van een passende baan en een betaalbaar huis. Momenteel heb ik nog steeds schulden uit die tijd, waardoor ik soms nog moeite heb om rond te komen. Ik werk nu bij een sociale werkplaats in de wijk Zevenkamp. Ik ga elke ochtend met de metro naar mijn werk.

Naar buiten gaan is belangrijk, het is niet goed voor mij om de hele dag binnen te zitten. Werken is mijn therapie. Nederlandse mensen willen nooit werken in de zomer, maar ik wel. Ik heb al mijn vakantiedagen opgenomen in de winter want dan is het koud. Als het koud is buiten word ik altijd ziek en ik ben altijd de hele winter verkouden. Ik vind het raar om naar buiten te gaan als het dezelfde temperatuur is als de koelkast. Sinds drie jaar geef ik onderdak aan een man die zijn huis is kwijtgeraakt. Hij slaapt in de kamer naast de gang. Hij heet Maarten en gaat altijd fietsen in de winter want soms heeft hij een baantje en bezorgd hij eten met de fiets. Ik zeg altijd tegen hem dat het te koud is om te fietsen. Ik blijf altijd binnen in de winter, bij de televisie. De televisie is mijn beste vriend. Ik ben elke dag alleen thuis, samen met de televisie. Gelukkig heb ik de televisie. Maarten is altijd druk met zijn leven, soms komt hij en soms gaat hij weer. Bij mij thuis is het rustig, de nachtopvang is niet goed voor Maarten, hij moet met de bus naar een industrieterrein en er zitten veel verslaafden. Hij heeft geen geld, niet eens voor beltegoed. Het is moeilijk want ik kan hem niet helpen met zijn uitkering. Voor een uitkering heeft hij een postadres nodig, en dat kan niet bij mij anders moet ik meer betalen. Hij heeft mij verteld dat zijn uitkering nu al zo’n twintig keer is afgewezen in twee jaar tijd. Hij loopt van het kastje naar de muur.

Maar bij mij heeft hij onderdak zolang hij maar wil. Ik heb ook een keer een Somalische moeder met twee kinderen onderdak gegeven, zij waren ook dakloos geworden. Maar soms heb ik zelf halverwege de maand geen geld meer, want ik geef vaak geld aan mijn moeder. Zij woont nog steeds in Somaliland. Zij wil dat ik nog een keer kom om haar te bezoeken voordat ze dood gaat, maar ik moet dan heel veel sparen en ik weet niet hoe ik dat moet doen. Elke maand is mijn geld op. Maar als ik terug kan, dan ga ik een weekje. Een beetje melk drinken, een schaap slachten en veel verse groente eten. Het is warm in Somaliland, dat wel.